Scoops
Zangers uit de lichte muziek nemen noten ‘van onderen’. Dat wil zeggen dat ze niet meteen de echte toonhoogte zingen, maar er van onderen naar toe glijden. In de jazz wordt dit scooping genoemd. (Scoop is Engels voor schep.)
Sommige zangers maken grote scoops, andere zangers maken kleine scoops. Frank Sinatra bijvoorbeeld maakt grote scoops, en Ella Fitzgerald maakt kleine scoops. Maar alle zangers maken gebruik van deze techniek. Zonder de scoops zou de jazz doods klinken.
Een goede dirigent is in staat om toonsoorten af te leiden van de stemvork. Hoe kan je dat het beste doen? Vanuit de a van de stemvork wil je het liefst zo snel mogelijk springen naar de grondtoon. Maar niet elk interval is even gemakkelijk te treffen. Een stijgende secunde of stijgende kwart is nog wel te doen. Maar een sext treffen of een tritonus, dat is andere koek.




Als je snelle, energieke stukken zingt, klinkt het lekker als je de noten aanzet met kleine accenten. Op die manier benadruk je het ritmische karakter van de muziek. Deze ‘percussieve’ manier van zingen, staat tegenover de klassieke manier van ‘legato’ zingen.
In een eerder blogbericht kwam de solfège al ter sprake. Ik beargumenteerde daar dat van blad zingen het beste te leren is door alle noten van de toonladder cijfers te geven en door alle noten te relateren aan de grondtoon.
Een typerend kenmerk van jazz is de swing feel. In swing feel worden noten op de tel langer gezongen, dan de noten na de tel. De swing feel is in de afgelopen eeuw onderdeel geworden van onze muzikale vocabulaire. Ook in de popmuziek zijn er veel nummers met swing feel. En er zijn zelfs talloze kinderliedjes met swing feel.