De hand
Bij het dirigeren gebruik je je handen om uiteenlopende expressies weer te geven. Voor een zachte klank richt je de handpalmen omlaag, voor een ruime klank de handpalmen omhoog. Voor een tedere klank houd je de hand ontspannen, voor een volle klank maak je de hand stevig. Als je iets heel precies wilt hebben, gaan als vanzelf de duim en wijsvinger tegen elkaar aan. Als dirigent ontwikkel je zo een eigen taal met je handen.
Soms wil je geen expressie aanduiden, maar zoek je meer een neutrale klank. Bijvoorbeeld bij het inzingen, of tijdens het repeteren van moeilijke noten. Welke neutrale houding van de hand past er bij zo’n moment?
Hoe leuk het ook is om in een koor te zingen, het blijkt voor zangers moeilijk om op tijd op een repetitie te komen. Zo gaat dat overal. Het zit misschien ingebakken in de menselijke aard, dat we te vroeg komen overdreven vinden, en te laat komen acceptabel.
Akkoorden aangeven vanaf de stemvork, moet dat echt? Veel dirigenten zien daar verschrikkelijk tegenop. Eerst bedenken welk akkoord er gaat klinken, dan de grondtoon zoeken vanaf de stemvork, je de juiste drieklank voorstellen, en dan ook nog zuiver voorzingen terwijl je de juiste stemgroep aankijkt… dat valt ook niet mee. Toch moeten we het onder de knie krijgen. Want je gaat op een concert de noten van een a capella stuk toch niet aangeven op de piano? Dat is niet sfeervol en het staat onprofessioneel. Aan de slag dus, oefenen met de stemvork.